Financiële misdaad loont

 

De lancering van het Institute For Financial Crime in het Haagse Fraudespaleis was een belevenis. Of het instituut erin gaat slagen de overheid, het bedrijfsleven en de wetenschap inderdaad kennis te laten delen, moet nog blijken. Maar de poging verdient in ieder geval sympathie en steun.

Forensisch accountant Arthur de Groot, de initiatiefnemer van het instituut, herinnerde de belangstellenden eraan dat de toenmalige directeur-generaal van de Belastingdienst in 1979 zei: ‘Eén op de drie fraudeert niet en dat moeten we omdraaien.’

Een paar jaar later had De Groot’s baas bij de Centrale Recherche Informatiedienst bescheidener ambities: ‘Het gaat niet om opsporing, maar beheersing.’ Sindsdien is De Groot’s verwondering omgeslagen in ‘verbijstering’.

‘We zien fraude opeens, het is lange tijd ontkend,’ zei IFFC-bestuurslid Adriaan van Dorp, in het dagelijks leven directeur Security & Intelligence Management bij ABN AMRO.

Corruptie SBM Offshore

Gezien is bijvoorbeeld SBM Offshore, dat na een klokkenluidersmelding over wereldwijde corruptiepraktijken voor 240 miljoen dollar strafvervolging afkocht. Oud-advocaat Sietze Hepkema probeerde als chief compliance officer orde op zaken te stellen bij SBM Offshore. Maar omdat in het eigen onderzoek (door PwC en De Brauw Blactstone Westbroek) de omkooppraktijken in Brazilië onderbelicht bleven, is de kous nog niet af. Hepkema, nu commissaris bij SBM, luisterde de lancering van het IFFC op met een anti-corruptiepreek. ‘Ik sta hier omdat ik vind dat wij in Nederland stappen moeten maken in de corruptiebestrijding. Ik praat niet over SBM, want dat is te recent.’

‘Te recent.’ Dat argument vind ik grappig. Te meer omdat Hepkema in december een interviewafspraak met mij uitstelde en in januari afstelde toen de steekpenningen in Brazilië begonnen op te spelen.

 

Rabo en LIBOR

De meeste indruk bij de lancering maakte een gesprek met een woedende fraudeadvocaat. Hij is boos over de Rabobank-LIBOR-uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. Aan de ene kant zegt het Hof dat zulke ‘wereldwijd ingrijpende en schokkende malversaties in de financiële markt’ aan de strafrechter hadden moeten worden voorgelegd. ‘Strafvervolging zou dus zijn aangewezen.’ Toch wijst het Hof de klacht over het niet-vervolgen van Rabo-bank, de Rabo-bestuurders en verantwoordelijke medewerkers wegens manipulatie van de LIBOR af.

 De advocaat wond zich met name op over het laatste argument van het Hof: de betrokken medewerkers, die nog voor de bank werken, kunnen niet worden vervolgd omdat een deel van het bewijs tegen hen verkregen is met toezichtbevoegdheden zonder dat de strafrechtelijke waarborgen werden gehanteerd. De advocaat vindt dat een gotspe, omdat de rechtspraak daar normaal gesproken helemaal niet zo principieel in is.

Ik vroeg de advocaat waarom hij er woedend over was. Hij schrok even, omdat juristen nu eenmaal niet graag over hun gevoelens praten. Zijn boosheid wortelt in de rechtsongelijkheid. Iemand uit zijn omgeving werd vervolgd vanwege verboden wapenbezit op Schiphol: een speelgoedkatapult die was meegenomen voor een jong familielid. Het lukte niet deze zaak te schikken.

 

Too big to jail

Het is precies de kritiek die de Amerikaanse professor of law Brandon L. Garrett ventileert in Too big to jail. ‘Het falen om aan te dringen op strenge straffen voor bedrijfsdaders lijkt met name onverdedigbaar als we misdaad van laag niveau door individuen strikt vervolgen.’ (p. 266) Aanklagers zijn te mild tegenover bedrijven – met name grote beursondernemingen, zo concludeert Garret uit zijn onderzoek naar 255 niet- respectievelijk uitgestelde-vervolging-overeenkomsten.

Garret constateert dat de voorwaarden die aan
klagers stellen zeer uiteenlopend zijn. Zo betalen buitenlandse bedrijven veel hogere boetes wegens corruptie dan Amerikaanse. Een vaak gestelde voorwaarde is dat bedrijven herstelmaatregelen treffen. Maar in de praktijk wordt het effect daarvan niet gecontroleerd. Daar zouden rechters meer werk van moeten maken, bijvoorbeeld door een onafhankelijke toezichthouder in het bedrijf te parachuteren, schrijft Garrett. Een soort reclasseringsambtenaar voor bedrijven.

In Nederland zijn we (ook) nog lang niet zo ver. De openheid over schikkingen neemt langzaam toe, hoewel die zich vaak beperkt tot persberichten zonder achterliggende documenten. De rechterlijke controle laat nog veel te wensen over. Klagen over niet-vervolging is niet de oplossing, zo lang gerechtshoven zich er met een Jantje-van-Leiden kunnen afmaken, omdat tegen hun beslissing over een niet-vervolgingsbeklag toch geen cassatie open staat.